De parkeerstatus van de predikant
- ‘Goedemorgen, ik ben predikant. Ik moet een aantal mensen bezoeken. Heeft u een plek voor me?’
- ‘Rijdt u maar door. U weet de weg?’
Deze conversatie speelde zich jarenlang af als ik bij de poort van een ziekenhuis kwam. Ik ging dan op bezoek bij gemeenteleden. Aanvankelijk zat er meestal een meneer in een hokje met een schuifraam dat openging als ik aanschoof voor de slagboom. Met een druk op de knop opende hij dan de doorgang. Maar die meneer werd allengs vervangen door een intercom waar je dan diezelfde boodschap insprak. Soms hoorde je een metalen stem antwoorden, maar vaak ook ging de slagboom zonder een woord open.
Er was dus (wil ik maar zeggen) altijd wel een speciale parkeerplek waar je snel je auto kwijt kon. Ook bij het vroegere Dijkzigt. Daar hadden ze zelfs een hele mooie! Dichtbij de hoofdingang was een soort kuil waar de meest bevoorrechte personen hun auto kwijt konden om snel in het ziekenhuis te kunnen zijn. En: zonder te betalen!
Op die manier kon je op een morgen gemakkelijk drie of vier ziekenhuizen ‘doen’. Het was aanschuiven, je bezoek brengen en hup naar de volgende. Dat klinkt snel, maar je had juist alle tijd voor de bezoeken zelf.
Dat is voorbij. Het privilege van een aparte parkeerplek is predikanten gaandeweg ontnomen. We moeten nu net als alle andere mensen een gewone parkeerplek zoeken. ‘Dat is toch normaal?’ zult u denken, ‘Waarom zo’n voorkeursbehandeling?’ Daar heeft u ook wel gelijk in. Maar het is weleens lastig.
Zo heb ik al vaak meegemaakt dat ik, op zoek naar een parkeerplek in wat nu het Erasmus-ziekenhuis is, de gigantische parkeergarage drie of vier keer moest doorkruisen vooraleer ik een haventje voor mijn autootje had gevonden. Met een scheef oog keek ik dan weleens met een gevoel van heimwee naar die bewuste kuil waar altijd nog wel wat plek was. En afgelopen winter glibberde ik door de spekgladde straten rond Ikazia (ook in Rotterdam), een half uur vergeefs zoekend naar een plekje.
Mijn adrenalinegehalte stijgt in zulke gevallen bovengemiddeld. Zeker als er haast bij een bezoek geboden is, of als ik verschillende ziekenhuizen moet bezoeken. Mijn broer, die huisarts is, heeft terwille van mijn gezondheid dan ook weleens gesuggereerd een esculaap van hem aan te nemen: u weet wel, zo’n doktersteken. Als je die achter je voorruit hebt schijnt dat vooral bij ziekenhuizen wonderen te doen. Maar we hebben er toch maar van afgezien. We zijn allebei te brave gereformeerde jongens om vals te spelen. Ik heb me er dus maar bij neergelegd: de status van weleer heeft de predikant niet meer.
Gelukkig hoef ik tegenwoordig niet zoveel meer in Rotterdam te zijn (daar is het probleem het grootst): mijn huidige klanten verblijven meestal in Dordrecht. Maar toen ik onlangs, na mijn auto geparkeerd te hebben, bij de receptie informeerde naar het kamernummer van een gemeentelid, vroeg de receptioniste wat ik kwam doen: het was immers nog geen bezoekuur. Ik antwoordde dat ik dominee ben. Maar in haar ogen las ik grote vraagtekens. Kennelijk wist zij niet wat een dominee is. Ik mocht nog wel doorlopen. Maar ik dacht: ‘Nog even en dan mag ik ook niet meer buiten het bezoekuur komen.’ Aangeslagen liep ik door de hal naar de lift.
Meest gelezen
Soon and very soon, we are going to see the King Hallelujah! Hallelujah! We're going to see the King. Met deze woorden... Lees de hele column »