In mijn kratje boeken had ik voor de zekerheid Jellema’s ‘Verzamelde werk’ (gedichten en essays) en de biografie die Gerben Wynia over hem schreef, meegenomen. Ze kwamen allebei van pas.

Ik ben geen groot kenner van het werk van Jellema (1936-2003). In het register van zijn verzamelde gedichten staan bij mij zo’n 50 kruisjes in potlood. Daarmee duid ik aan dat ik ze grondig las. Niet veel dus, als je in aanmerking neemt dat hij er honderden schreef.

De gedichten die indruk maken krijgen één of meer uitroeptekens bij het kruisje. Bij het gedicht ‘Laat-romantische wandeling bij Paesens’ staan er een paar. Laat dat gehucht aan de Waddenzee hier op nog geen twintig kilometer vandaan liggen. Wij erheen.

Het gedicht gaat over een wandeling op de Waddendijk. Toen ik er liep – rechts de Waddenzee, links het gras met schapen - was het of de woorden van Jellema van binnenuit naar boven borrelden. Gedicht en landschap vielen samen. Straks zal ik er een paar regels uit citeren.

Uit de biografie van Wynia wist ik dat Jellema begraven ligt op het kleine kerkhof bij het kerkje van Saaksum. Ik ben doorgaans geen grafganger. Maar als ik weet dat in de buurt een bekend persoon begraven ligt, zal ik hem of haar even gaan groeten. Bij Jellema was ik niet de eerste. Er lagen steentjes op zijn graf (een joodse gewoonte van gedenken) en een bosje verdroogde bloemen. Ze lagen op een eenvoudige, massieve steen. Op de steen alleen zijn naam en een paar regels uit een gedicht. Onder indrukwekkende wolkenpartijen in dat oneindige Groningse landschap met dat lieflijke kerkje daalde een diepe stilte in mij neer.

De derde statie was het laatste huis waar Jellema woonde: het landhuis Oosterhouw in Leens. Het bleek niet te bezoeken. Ik vroeg het aan een stel dat net in hun auto stapte die op de oprit stond. ‘Ik geloof het niet,’ zeiden ze. Zij waren er om laatste afspraken te maken: de volgende dag zouden ze er trouwen. ‘Nou, alvast van harte gefeliciteerd. En veel geluk!’ zei ik, en liep het pad weer af.

Het lange lopen over de dijk, links
het gras en de schapen, rechts glanzend
opaal - het is eb - de vlakte van slik,
een streep aan de einder het eiland,
wij in gesprek.
[...]
Maar het opkomende verlangen
nu over de dijk terug bij de auto,
om achter te blijven in al
het zichtbare hier, tegelijk
kunnen weggaan en blijven ...