‘De dichter en de duivel’ is het verslag van een reis door Onder-Nederland. Maar al snel herken je de reis van Dante door de hel, alleen is de hel nu de hedendaagse wereld. Marsman verhaalt er grotendeels over in terzinen, drieregelige strofen.

Net zoals Dante op zijn tocht werd vergezeld door Vergilius, zo laat ook de dichter (hij/zij is de hoofdpersoon) zich leiden door … ja, wonderlijk: eerst door Dick Schoof en vervolgens door Gerrit Zalm. Actueler en hedendaagser kan niet. Ook Marsman gaat net als Dante door verschillende kringen of verdiepingen heen.

Wat alle hoofdstukken verbindt is dat de taal in onze wereld is geërodeerd. Door onwaarachtigheid, reclame, propaganda, jargon of grofheid. Marsman illustreert dat met letterlijke citaten. Schoof: ‘Het doden van onschuldige kinderen / is bijna nooit goed te praten.’ Van Caroline van der Plas en Dilan Yeşilgöz-Zegerius lezen we staaltjes van in volzin verpakte onzin - ook letterlijk geciteerd. We komen ook grove tweets tegen van de radicaal-rechtse Eva Vlaardingerbroek

Hoe verder je in het boek komt, hoe duidelijker het wordt: de taal gaat eraan. En met de taal de wereld. De dichter komt tenslotte uit bij de duivel. Er volgt een komische dialoog met hem die geheel verpakt is in het jargon dat we kennen van datingprogramma’s. ‘Ik mis toch een beetje de…’ – ‘Spark?’ – ‘Ja, ik mis een kriebeltje.’

Maar in en onder de humor wordt een indringende boodschap helder: ‘U leeft, ik zei het net al even, in een zieke wereld. Een ongeneeslijk, zieke wereld.’ Marsman zelf was ongeneeslijk ziek. Iedereen wist het. Maar met dit laatste indrukwekkende werk laat zij een boodschap na die van haarzelf afwijst. Ze laat ons in een spiegel kijken, een spiegel van een wereld die niet veel goeds belooft: ‘al die kanaries, al die kolenmijnen’.